home
dutch poetry
english poetry
(short) stories
journal of stupidities
weblog (in Dutch)
miscellaneous
In het Nederlands (in Dutch)
De onverklaarbare logica
van het mannelijk brein
De verleiding van wraak
De proteïne en de bacterie (II)
De proteïne en de bacterie (I)
De Muze
In English (in het Engels)
The soap called "Politics"
The digital era anno now
De maatschappij
Short story II
Short story I (Part II)
Short story I (Part I)
Drop us a line in the guestbook... Or contact Arno or Anna
Poems and short stories © by Arno and Anna unless differently stated (Disclaimer).
De verleiding van wraak
Aan de andere kant van de coupé ging de deur open en er stapte een keurig geklede man binnen. Joost keek even op van zijn boek, maar las daarna weer verder. Hij was meer geïnteresseerd in boeken dan in mensen. Al sinds zijn jeugd was dat zo geweest. Hij had nooit behoefte gehad aan contact met andere mensen. Mensen kon je niet vertrouwen.
Toen hij wat beweging tegenover zich voelde, keek hij opnieuw op. De man ging zitten en even keken ze elkaar aan. Joost knikte beleefd en schonk verder geen aandacht meer aan de man. Uit ervaring wist hij dat stug verder lezen en negeren de beste remedie was tegen praatgrage mensen. Hij keek naar de regels op de pagina, maar hij had zijn concentratie verloren. Zijn gedachten dreven naar de man. Er was iets vreemds aan hem, maar Joost kon niet precies plaatsen wat het was. Hij had de man maar kort aangekeken, te kort om te zien hoe de man er precies uitzag. Hij voelde zich ongemakkelijk bij de plotselinge interesse die hij voor deze man voelde. De plotselinge drang om te zien hoe de man er uitzag.
Joost deed alsof hij las, maar keek over de rand van zijn bril naar de man. Hij was in zijn aktentas aan het zoeken en Joost verloor iets van zijn behoedzaamheid. De man droeg een lange suède jas met grote knopen. Standaard jas van een zakenman. De man had de jas losgeknoopt en Joost zag dat hij een zacht roze shirt met ruitjes droeg met daarop een felrode stropdas met een vreemde structuur erop. Joost schoot bijna in de lach door de foute combinatie. Voor de rest zag de man eruit als een 'normale' zakenman. Netjes gekamd haar, kleine bril. Nu hij zo naar de man keek, voelde hij de vreemde uitstraling. Bijna tastbaar negatief. Hij schudde zijn hoofd en forceerde zijn aandacht terug naar het boek. Onbewust sloeg hij de bladzijde om.
"Interessant boek."
"Huh?"
Joost keek op. De man keek hem aan en nu realiseerde Joost in afgrijzen wat er zo vreemd was geweest aan de man. Buiten wit en zwart, het wit van de oogbollen en het zwart van één grote pupil waren er geen andere kleuren in de ogen van de man. Geen blauw, geen groen, geen grijs. Zelfs geen rood draadje van een zichtbaar gesprongen adertje. Alleen wit en zwart. Joost keek om zich heen om te zien of andere mensen in zijn richting keken en zagen wat hij zojuist had gezien, maar niemand leek geïnteresseerd in hem. Net zo min als hij geïnteresseerd was in hen, leek het.
"Ik zei dat je een interessant boek hebt." De man knikte met zijn hoofd naar het boek zonder zijn ogen van Joost af te wenden.
"Eeh, oh! Ja... Erg interessant."
Hij hoorde zichzelf antwoorden, maar van heel ver weg en had niet in de gaten dat hij de man zat aan te staren. Hij leek te zijn vastgeklonken aan die vreemde ogen. Hij dacht aan dat gezegde 'ogen zijn de spiegels van de ziel' en begon hysterisch te lachen. Ze mochten zijn spiegels wel eens schoonmaken, want er was niets te zien. Hij had niet door dat de mensen om hem heen nu wel naar hem zaten te kijken. De man leek het ook niet te merken en gaf ook niet de indruk dat hij Joost hoorde lachen. Hij glimlachte alleen maar, zijn ogen strak op Joost gericht.
"De natuur werkt op een vreemde manier af en toe. Dieren zijn voorspelbaar als je hun aard kent. Dat is bij mensen wel anders, vind je ook niet?"
Joost stopte abrupt met lachen. Hij wilde antwoorden, maar wist niet wat hij moest zeggen. Hij hoorde vaag een telefoon. Het was alsof hij wakker schrok op het moment dat de man zijn blik verplaatste naar zijn aktentas om de piepende telefoon te pakken. Joost keek verdwaasd om zich heen en zag mensen naar hem kijken. Sommigen schudden hun hoofd met een vreemde blik in hun ogen. Hij stond op en keek nog even kort naar de man. Of naar waar hij dacht dat de man was. Er was een lege plek, zonder enig bewijs dat er daadwerkelijk iemand had gezeten. Joost werd misselijk en voelde en onbeheersbare drang om over te geven. Hij greep zijn tas uit het rek, rende de coupé uit naar het toilet en braakte. De penetrante geur van urine in het kleine hokje was niet echt bevorderlijk voor zijn gevoel en hij braakte opnieuw. Hij had hoofdpijn. Hij slikte, boerde en stond op. Gelukkig was hij bijna thuis. Joost dacht terug aan wat er gebeurd was en wist niet zeker of hij het gedroomd had of niet. Moest wel. Mensen verdwijnen niet zomaar.
De stem van de man klonk nog na in zijn hoofd. "Dieren zijn voorspelbaar als je hun aard kent. Dat is bij mensen wel anders." Hij vroeg zich af wat de man daarmee bedoeld had. En vroeg zich daarna af waarom hij zich dat afvroeg. Hij was immers niet helemaal lekker geweest?
Hij voelde dat de trein vaart verminderde en hoorde een vrouwenstem door de intercom de naam van het station omroepen. Hij stapte uit en liep de korte afstand van het station naar zijn appartement. De gedachte aan vier verdiepingen trappenlopen maakte dat hij zich nog zieker voelde. De klim naar de vierde verdieping leek een eeuwigheid te duren en toen hij eindelijk voor de deur van zijn appartement stond, kostte het hem een uiterste inspanning om de sleutel om te draaien. Hij liep rechtstreeks door naar het toilet en braakte opnieuw. Er was niets meer in zijn maag om over te geven en het samentrekken van de spieren veroorzaakte een kramp in zijn buik. Hij nam een glas water mee en ging op het bed liggen. Langzaam gleed hij weg in een onrustige slaap.
Joost keek om zich heen. Het schoolplein leek verlaten. Maar hij wist dat dat niet zo was. Het schoolplein was nooit verlaten. Het was altijd hetzelfde. Steeds weer diezelfde droom. Hij wist dat hij droomde, maar hij kon er niets aan doen. Hij vertelde zichzelf om wakker te worden, maar zonder resultaat. Hij liep naar het hek, vanwaar hij het schoolplein kon verlaten. Op het moment dat hij het hek open wilde duwen, voelde hij een hand op zijn schouder.
"He kneus, waar ga je heen?"
"Laamemetrust!"
"Of anders?"
Er klonk gelach achter hem. De jongens waren er weer. Net als anders.
Een andere stem nu.
"Kom brillejood, draai je eens om. Het is erg onbeleefd om met je rug naar mensen toe te blijven staan als ze tegen je praten."
Hij voelde dat de hand hem hardhandig omdraaide. Hij had geen tijd om te kijken wie hem omdraaide — niet dat hij het niet wist, het was altijd hetzelfde — want een klont modder raakte hem vol in zijn gezicht.
Er klonk weer gelach. Veel harder nu en doordrenkt van leedvermaak.
"Waarom laten jullie me niet gewoon met rust?"
"Kom, kom," imiteerde één van de jongens zijn bijna snikkende stem. "Nu niet gaan huilen, hè, daar kunnen we niet tegen. Daar worden we heel verdrietig van."
Joost zette zijn bril af en voelde zijn neus. De klont modder was hard aangekomen. Er zat bloed aan zijn hand.
"Wat is hier aan de hand?"
Een stem achter hem. Joost draaide zich om om te zien wie het was en verstijfde toen hij zag dat het de man uit de trein was. De man leunde ontspannen op het hek en keek hem aan met diezelfde glimlach. En diezelfde ogen. Joost voelde de misselijkheid weer opkomen.
"Hé kneus, heb je me niet gehoord? Je bent akelig onbeleefd tegen ons. Volgens mij moeten we jou 'es een lesje leren."
De hand kwam terug op z'n schouder en draaide hem weer ruw in de andere richting. Joost probeerde zich nog in te houden, maar tevergeefs. Hij braakte over de trui van de jongen die hem zojuist had omgedraaid. Een ogenblik was die te verrast om te reageren. Daarna barstte hij los in woede.
"Gadverdamme, lul! Jij hebt zojuist de grootste fout van je leven gemaakt! Vuile klootzak! Dit soort geintjes zal ik je 'es goed afleren!"
Joost voelde een stekende pijn toen de vuist van de jongen zijn oog raakte. Hij zakte op zijn knieën.
Dit was nog niet eerder gebeurd in de droom en hij wenste dat hij wakker zou worden.
"Je hoeft dit allemaal niet te accepteren, weet je."
De stem van de man achter hem. Joost keek op naar de jongen. Het leek alsof hij de man niet had gehoord, want hij keek met een voldane grijns op zijn gezicht neer op hem.
"Heb je genoeg gehad...."
"Het is je eigen keus, je kunt er wat aan doen."
"...of wil je nog een portie?"
"Jij bent de baas, niet zij."
Het drong tot Joost door dat hij de enige was die de man kon zien. Hij keek om naar de man. Die glimlachte nog steeds naar hem en knikte in de richting van de jongens.
"Het is jouw leven dat ze aan het vergallen zijn. Dat neem je toch niet?"
Joost wist niet meer zeker of hij wel droomde. Maar de man had wel gelijk. Hij had altijd geloofd dat hij de loser was die ze zeiden. Nooit wat terug gezegd. Altijd geïncasseerd. Dat moest maar eens afgelopen zijn. Hij stond op en keek de jongen aan.
"Jij gaat m'n trui schoonmaken, kneus. Het is jouw kots, dus jij zorgt ervoor dat mijn trui weer schoon wordt."
"Val dood! Doe het zelf!"
"Eeuuuh. Dat was het FOUTE antwoord. Ik denk dat je m'n trui gaat schoon likken. Zodadelijk. Eerst breng ik je effe wat fatsoen bij."
Hij haalde uit met zijn vuist, maar Joost zag het aankomen. Verbaasd over zijn eigen plotselinge moed stapte hij opzij en stompte de jongen op zijn neus. De uitdrukking van ongeloof op het gezicht van de jongen was bijna lachwekkend, maar het laatste wat Joost wilde, was lachen.
"Hoffamme! E ebt me neuf ero-en!"
"Laamemetrust nu!"
Hij draaide zich om en liep naar het hek.
"Pakkem!"
Eén van de andere jongens kwam achter hem aan en greep hem van achteren vast. Joost schudde de jongen van zich af en draaide zich om. Hij gaf de jongen zo'n harde duw dat hij op de grond viel. Hij rende meteen naar de jongen toe en stampte met zijn volle gewicht op de arm van de jongen. Joost kreeg weer de drang om over te geven toen hij de arm onder zijn gewicht hoorde breken. De jongen begon ongecontroleerd te gillen, maar het leek langs Joost heen te gaan. Hij draaide zich om naar de andere jongens. Die stonden met open mond naar hem te kijken.
"Laat-me-met-rust-nu!"
Hij zei het alsof hij tegen een stel kleuters stond te praten. Overdreven langzaam, overdreven duidelijk, maar zonder zijn stem te verheffen. Daarna draaide hij zich om en liep naar het hek toe. De man was er nog steeds. Joost had hem helemaal vergeten, maar nu zag hij hem weer. De man leunde niet meer op het hek, maar stond rechtop te applaudisseren.
"Kijk, dat bedoel ik."
"Laat me met rust."
"Is dat je de manier waarop je je dankbaarheid toont? Die jongens hadden gelijk! Je bent niet echt beleefd."
De man begon hard te lachen en verdween in het niets.
"Laat me met rust..."
Het was niet meer dan een fluister. Joost zou zich voldaan moeten voelen. Het was anders afgelopen dan alle andere keren. Maar hij voelde zich juist tegenover gesteld. Hij voelde zich schuldig. Hij had de arm van die jongen gebroken. Hij hoorde het bot weer breken in zijn gedachten en opnieuw kwam de misselijkheid opzetten.
Joost schrok wakker en rende naar het toilet. Hij dacht dat hij moest overgeven, maar er kwam niets. Hij nam een slok water en waste zijn gezicht. Zijn gezicht deed pijn. Toen hij met de handdoek zijn gezicht afdroogde en op zijn oog drukte, voelde hij een pijnscheut door zijn hoofd trekken. In de spiegel zag hij een donkerrode, bijna paarse rand onder zijn oog en hij voelde hoe zijn hart een slag oversloeg.
Hij had het gevoel dat hij zijn verstand begon te verliezen. Realiteit en droom vermengden zich tot een onherkenbaar geheel zonder duidelijk zichtbare grenzen. De man, eerst in de trein, later in zijn droom. De stomp op zijn oog, eerst in zijn droom, en nu... Hij liep terug naar de slaapkamer, voorzichtig zijn oog deppend met de handdoek. Een blik op zijn kussen liet zijn hand met handdoek onbeweeglijk in de lucht hangen. Een grote rode vlek was het bewijs van het gevecht dat zich ergens tussen droom en werkelijkheid had afgespeeld.
Joost weigerde het te geloven. Hij moest zich in zijn slaap tegen de muur gestoten hebben. Hij liep door naar de woonkamer zakte met een zucht op de bank. Zijn gedachten gingen terug naar zijn jeugd, waarvan de dromen, op de laatste droom na, een exacte kopie waren. Hij zakte weg in een droomloze slaap.
Joost werd wakker door de klep van de brievenbus die dichtsloeg toen de krantenbezorger de krant er door heen drukte. Hij keek op zijn horloge. Half vijf. Hij had de hele nacht geslapen, vanaf de vorige middag. Hij werd weer hardhandig aan de droom van de vorige dag herinnerd, doordat zijn oog, dat nu bijna dicht zat, protesterend in zijn hoofd begon te bonken toen hij te snel overeind kwam van de bank. Hij gooide muesli in een kom en goot er melk overheen. Het bonken begon minder te worden toen hij weer rustig ging zitten. Hij deed een poging om de krant te lezen, maar was te weinig met zijn gedachten erbij om de begrijpen wat hij las. Toen hij even later weer op zijn horloge keek, zag hij verbaasd dat het al half acht was. Haastig pakte hij zijn tas en rende naar het station. Hij vloekte binnensmonds en vroeg zich af waarom hij eigenlijk rende; hij wist toch zeker dat hij de trein ging missen. Hij plofte hijgend neer op één van de banken op het perron en rommelde in zijn tas op zoek naar het boek dat hij in zijn haast thuis had laten liggen. Hij stond op. In een half uur kon hij makkelijk naar huis lopen om het boek op te halen.
Bij de uitgang van het station kwam hem een jongen tegemoet. Joost keek hem aan. De jongen keek Joost aan. Slechts een ogenblik. Zijn arm was ingepakt in gips en hing in een mitella. Ze zeiden niets. Er viel niets te zeggen. Niet hier, niet nu. Maar ze wisten van elkaar wat ze dachten.
Joost liep door en keek niet om. Het was meer dan tien jaar geleden dat hij de jongen voor het laatst gezien had. En nu, juist op dit moment... Hij wist niet eens dat — of — de jongen hier woonde.
Er was niet de verwarring die Joost had gevoeld toen hij zijn oog in de spiegel zag of toen hij de bloedvlek in zijn kussen zag. Hij liep naar huis met zijn gedachten bij de droom en bij de vreemde man en bij de ontmoeting met de jongen. Hij had onbewust al besloten dat hij geen moeite ging doen om een andere trein te pakken, maar gewoon thuis zou blijven.
Hij gooide zijn tas in de hoek achter de deur en kookte water voor een kop thee. Hij greep een boek uit de kast en ging op de bank liggen. Hij voelde zich niet lekker. Alweer niet. Of nog steeds niet. Het boek kon zijn aandacht niet afleiden van de gebeurtenissen en de constante gedachte aan wat er gebeurd was bezorgde hem een irritante zeurende pijn in zijn hoofd. De tijd kroop tergend langzaam voorbij. Ineens stond hij op, zijn blik helder. Misschien was dat het...
Hij maakte vroeg zijn avondeten. Hij had honger, maar geen zin om te eten. Hij wilde naar bed. Rond zeven uur had de bank plaatsgemaakt voor zijn bed. Het boek was meeverhuisd, maar had niet meer interesse opgewekt dan eerder die dag. Joost legde het aan de kant en sloot zijn ogen. Hij was niet moe en het duurde even voordat de slaap kwam. Uiteindelijk zakte hij weg in zijn onderbewuste.
Hij keek om zich heen. Aan de andere kant van het schoolplein zaten de jongens op het hek. Eén van de jongens met een verband op zijn neus, de andere jongen met zijn arm in het gips in een mitella. De derde jongen ongedeerd, maar druk
gebarend naar de andere twee.
"Ah... Je bent er weer. Ga je het afmaken vandaag?"
De stem achter zich.
Joost draaide zich om en keek de man aan. Keek hem recht in zijn ogen.
"Ja. Vandaag ga ik het afmaken. Had ik al veel eerder moeten doen. Waarom kwam je nu pas?"
De man haalde zijn schouders op.
"Wees blij dat ik überhaupt ben gekomen."
Joost bleef hem aankijken. Nu zag hij iets dat leek op zijn eigen reflectie in de ogen van de man. Joost grinnikte onbewust bij de gedachte dat de man zijn spiegels had schoongemaakt.
Hij was niet echt verbaasd zijn reflectie te zien. Zijn ingeving was juist geweest. Het enige wat hem opviel, was dat de reflectie op een vreemde manier vervormd was. Het was wel zijn reflectie, maar toch niet helemaal. Het was niet meer van belang. Nu niet meer. Hij was hier gekomen om af te maken wat hij begonnen was.
"Ben ik ook, ben ik ook. Nou... Als je me nu even wilt excuseren."
De man maakte een overdreven zwaai met zijn armen in de richting van de jongens en knikte.
"Asjeblieft, stoor je niet aan mij!"
Joost liep langzaam op de jongens af. De man liep naar de andere kant van het hek en Joost zag dat hij net als eerder tegen het hek aan ging staan. Op een flinke afstand van de jongens.
"Hoi, eeeh..."
Joost keek naar de twee gehavende jongens.
"Wat mot je?" De derde jongen snauwde naar hem. "Heb je gister niet genoeg gehad?"
Joost keek met een verveelde blik opzij en gaf de derde jongen een stevige zet, zodat hij achterover van het hek af viel. Van een afstand hoorde Joost de man weer goedkeurend applaudisseren. Hij zag dat de twee jongens verschrikt naar de derde jongen keken.
"Hou je bek! En loop niet te zeiken als volwassen mensen praten!"
Er kwam geen antwoord van de andere kant van het hek. Hij richtte zich weer naar de andere twee jongens.
"Eeem... Ik wil mijn excuses aanbieden voor gisteren. Dit was niet de bedoeling."
Hij keek de jongens aan. De jongens keken elkaar aan en daarna weer naar hem. De jongens knikten naar hem.
"Wij hadden het ook niet moeten doen. Ook mijn excuses."
"En de mijne."
De twee jongens staken hun hand uit en Joost hoorde schuin achter hem het applaudisseren abrupt stoppen toen hij beide jongens de hand schudde.
"Ik denk dat we elkaar nog wel eens tegenkomen."
Joost knikte naar de jongens en draaide zich om. Hij liep rechtstreeks naar de man toe. De glimlach op zijn gezicht was veranderd in een grimas. Joost keek de man weer aan.
"Wat flik je nou?"
"Ik heb het afgemaakt. Je had gelijk. Ik was onbeleefd gisteren. Ik moet je bedanken voor je hulp."
Zijn reflectie was verdwenen uit de ogen van de man. Ze waren weer net zo leeg als die eerste keer in de trein. Joost draaide zich om en liep door het hek. Voor dat hij de weg overstak draaide hij zich nog één keer om naar de man.
"Niet alleen dieren zijn voorspelbaar als je hun aard kent..."
Joost pakte zijn tas en rende de trap af. Zijn hoofdpijn was verdwenen. Hij had goed geslapen. En lang! Hij had met een grijns in de spiegel naar het blauwe oog gekeken toen hij vanmorgen was opgestaan.
Toen hij op het perron stond te wachten, zag hij een jongen aan komen met zijn arm in het gips. Hij liep naar de jongen toe.
"Hé Alex... Het spijt me echt."
Joost knikte naar de arm.
"Mij ook..."
Het was even stil, geen van beiden wist wat ze moesten zeggen. Uiteindelijk verbrak Joost de stilte.
"Zin in een bak koffie?"