Valid XHTML 1.0!

PoetryIn-e-Motion

Drop us a line in the guestbook... Or contact Arno or Anna
Poems and short stories ©   by Arno and Anna unless differently stated (Disclaimer).

De Muze
gepubliceerd op www.taaldigitaal.nl (Digitalis)

Hij kijkt op van het beeldscherm en staart voor zich uit zonder iets te zien. Op de achtergrond hoort hij vaag het geknetter van het brandende hout in de open haard. Veel luider hoort hij de wind fluiten in de schoorsteen en hij meent de koude lucht te voelen als diezelfde wind door de schoorsteenpijp de kamer in blaast. Hij voelt kippenvel op zijn benen als de tocht onder zijn grote donkerrode notenhouten bureau door trekt.
Zijn zware donkerrode notenhouten bureau. Zijn trofee. Eén van zijn grootste wensen die uit is gekomen en een stille getuige van de goede tijden die jaren geleden eindigden.
Hij duwt zich weg van het bureau en draait met de stoel 180 graden rond, zodat zijn zicht op de boekenkast gericht is. Daar, op ooghoogte op de vierde boekenplank staan nog meer stille getuigen van wat hij ooit was. Hij leest één voor één de titels, en steeds weer zijn naam, die in gouden en zilveren letters op de rug van de boeken is gedrukt.
    'Christiaan de Luijst     Wie staat er achter mij?'
    'Christiaan de Luijst     In het holst van de dag'
    'Christiaan de Luijst     Alleen is niet alleen'
    'Christiaan de Luijst     Er is leven na het leven'
    'Christiaan de Luijst     De groeten van de andere kant'.
Twaalf boeken in totaal, geen van alle spectaculaire bestsellers, maar ze hadden het goed gedaan. Hij had er zijn trofee van kunnen kopen. Eén van zijn grootste wensen. Christiaan de Luijst draait zich terug naar zijn bureau en staart naar het beeldscherm. De cursor knippert, geduldig wachtend totdat hij weer gaat typen. Maar wat moet hij in godsnaam schrijven? De inspiratie is er niet meer. Al jaren zit hij naar die verdomde cursor te staren zonder ook maar een enkel goed idee te krijgen. Zonder ook maar een enkel zinnig woord te typen. Af en toe probeert hij wel eens wat, maar het haalt niets uit. Het mist waarde, inhoud. Het mist alles. De backspace- en delete-toets zijn de afgelopen jaren de meest gebruikte toetsen op zijn toetsenbord geweest. Hij zucht gefrustreerd en leunt voorover. Ellebogen op het bureaublad en zijn hoofd in zijn handen. Hij weet het niet meer. Met weemoed denkt hij terug aan de tijd dat hij die twaalf boeken schreef. Hele nachten was hij aan het werk, constant aan het typen. Zonder er echt bij na te denken. Op de automatische piloot. Vanzelf ging het, zoveel inspiratie had hij. Veertig, vijftig pagina's per dag of per nacht. Maar nu?
      Plop.
Heel even komt zijn hoofd iets omhoog, maar hij heeft niet de energie om op te kijken. Een noest in het vuur. Er moet waarschijnlijk hout bij op het vuur. Het zal zo langzamerhand wel uitgebrand zijn. Maar hij heeft niet eens de energie om zijn hoofd op te tillen, laat staan hout op het vuur bij te...
      Plop.
Luider nu.
Dit klonk vreemd. Te vreemd voor een noest in het vuur. Voorzichtig komt zijn hoofd verder omhoog. En langzaam komt zijn hoofd boven het beeldscherm uit, waar de cursor nog steeds geduldig knippert, wachtend op hernieuwde inspiratie van zijn gebruiker.
Eerst ziet hij niets. Hij wil al bijna weer terugzakken in zijn stoel, ervan overtuigd dat hij zich het allemaal maar heeft ingebeeld. Maar dan ziet hij in de stoel schuin voor de open haard een vreemde zacht witte gloed.
      "Wat krijgen we nou?"
Hij komt overeind uit zijn stoel en loopt behoedzaam om het bureau heen, met beide handen steunend op het bureaublad. Hij verkleint de afstand tussen hem en de stoel niet, maar loopt met een boog naar de andere kant van de kamer, zodat hij kan zien wat die zacht witte gloed in de stoel is. Onderwijl vraagt hij zich steeds maar af of hij droomt of niet en vervloekt zichzelf dat hij die avond vier glazen whisky heeft gedronken in plaats van één.
De weg naar de andere kant van de kamer voelt voor Christiaan als een halve marathon en als hij eindelijk aan de andere kant is, is het kippenvel van zijn benen verdwenen en parelen er kleine zweetdruppeltjes op zijn bovenlip. Het prikt een beetje, want hij heeft zich net geschoren. Maar dat is het laatste waar hij op dit moment aan denkt.
Hij kijkt in de stoel en schrikt. Maar enkel een moment. Daarna verdwijnt alle schrik en zakt zijn mond open in een geeuw van verbazing. Hij staart met grote ogen naar de jonge vrouw die daar rustig in de stoel bij de open haard zit. De zachte witte gloed hangt nog steeds als een heldere nevel om haar heen. Ze zit daar volledig op haar gemak met haar armen over elkaar, alsof ze de vrouw des huizes zelf is. Ze kijkt hem met een rustgevende glimlach aan. En hij staart naar haar, ongegeneerd, stomverbaasd.
Wat een enorm mooie vrouw. Nog nooit heeft hij zo'n mooie vrouw gezien. Zelfs zijn eigen vrouw, God hebbe haar ziel, was in haar beste dagen nog niet half zo mooi als dit wonderschone wezen.
Haar lichtroze huid lijkt bijna onecht en haar donkerbruine haren glanzen met een glans die hij als onaards definieert. En haar ogen...
      "Mijn God, haar ogen!"
De kleur van haar ogen schommelt ergens tussen helder lichtgroen en felblauw, bijna turquoise. Hij kan zijn eigen ogen niet geloven.
      "Dag Christiaan."
Hij begint te stotteren als een klein kind. Heeft geen flauw idee wat hij moet zeggen en om te voorkomen dat hij absolute onzin begint uit te kramen probeert hij maar niets te zeggen. De laatste jaren was hij sowieso al niet zo adrem meer, dus dat is niets nieuws voor hem. Maar... Ze kent zijn naam! Wie, wat, is ze?
      "M-m-w-w..."
      "Ik kom je helpen."
Dat helpt hem in ieder geval niet veel.
      "M-m-w-w..."
Hij strompelt een paar passen vooruit en gaat in de stoel tegenover haar zitten. Nog steeds zijn mond en beetje open, nog steeds overrompeld, verrast, verdwaasd.
      "Weet je wie ik ben, Christiaan?"
Het is een hele poos stil in de kamer, enkel het geknetter van het brandende hout in de open haard en het fluiten van de wind in de schoorsteen. Er is geen spoortje kippenvel te vinden op zijn benen. Hij probeert zich te herstellen, zich te vermannen en zich niet zo aan te stellen en uiteindelijk lijkt het hem te lukken.
      "N-nee, ik weet niet wie je bent."
      "Wil je weten wie ik ben, Christiaan?"
Hij knikt. Hij wil graag weten wie zij is. En waarom hij vereerd is met haar aanwezigheid.
      "Ik ben je muze."
      "Mijn muze?"
      "Of geloof je daar niet in?"
Hij geeft geen antwoord. Hij weet niet helemaal zeker wat hij op deze vraag moet antwoorden. Alle schrijvers hebben een muze, tenminste, dat wordt gezegd. Maar hij... hij heeft er nooit wat van gemerkt. Hij heeft twaalf boeken geschreven en hij heeft niemand gezien toen hij die boeken aan het schrijven was. Hij schreef over het mystieke, over het spirituele. Misschien zat zijn muze daarin verborgen? Hij kan het niet met zekerheid zeggen.
      "Ik h-heb je nooit eerder gezien."
      "Dat is juist. Dit is ook niet de normale gang van zaken. En als het goed met je gaat hóef je het toch ook niet te zien?"
Dat klonk hem logisch in de oren. Maar waarschijnlijk klonk hem in dit stadium alles logisch in de oren. Hij wist nog steeds niet zeker of hij droomde of gewoon te veel had gedronken.
      "Ik heb je al die tijd geobserveerd. Het gaat niet goed met je. Je bent nog niet een schim van de persoon die je vroeger was. Ik heb medelijden met je."
      "I-ik heb geen inspiratie meer. Ik weet niet hoe het komt, wat er mis met me is. Ik kan het eenvoudig niet meer."
      "Ik ben hier gekomen om je te helpen. Ga terug naar je bureau, naar je computer en begin te typen."
Gehoorzaam als een klein kind staat hij op, een beetje onzeker in zijn passen, onzeker in zijn evenwicht. Hij blijft even staan, leunt op de stoel en wacht tot de duizeligheid weggetrokken is en de witte stippen voor zijn ogen zijn opgelost. Dan loopt hij langzaam met kleine passen terug naar zijn bureau. Hij kijkt er eens goed naar in het licht van de lamp naast het beeldscherm. Diep donkerrood, en echt notenhout. Z